De belastingtarieven, heffingskortingen en vermogensregels schuiven ieder jaar een stukje op. Voor 2027 gebeurt dat op meerdere fronten tegelijk: de tarieven in box 1 en box 3 stijgen, de heffingskortingen bewegen wisselend, en er verdwijnt een fiscale aftrek. Een overzicht van wat er verandert.
Let op: niet alle voorstellen zijn definitief. Ze worden pas definitief na goedkeuring door de Tweede en Eerste Kamer.
Inkomstenbelasting: hogere tarieven in de eerste twee schijven
De tarieven in box 1 gaan in 2027 omhoog: schijf 1 stijgt van 35,75% naar 36,23%, schijf 2 van 37,56% naar 38,16%. Opvallend is dat de schijfgrenzen minder meebewegen met de inflatie dan gebruikelijk. De grens tussen schijf 1 en 2 wordt met slechts 48% van de inflatie gecorrigeerd, en de grens van schijf 3 blijft ongewijzigd op € 78.426,-.
Hoeveel iemand precies betaalt, hangt af van de leeftijd en het geboortejaar:
- Wie de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt, betaalt 36,23% tot € 39.247,-, 38,16% tot € 78.426,- en 49,50% daarboven.
- Wie de AOW-leeftijd al heeft bereikt en geboren is vanaf 1946, betaalt in de eerste schijf 18,33% in plaats van 36,23%, omdat er geen AOW-premie meer wordt afgedragen. De overige schijven blijven gelijk.
- Voor wie geboren is vóór 1946 geldt hetzelfde lagere tarief van 18,33%, maar dan tot een hogere grens van € 41.637,- in plaats van € 39.247,-.
Heffingskortingen: de een stijgt, de ander daalt
Niet alle heffingskortingen bewegen dezelfde kant op. De algemene heffingskorting stijgt in 2027 met € 39,- naar maximaal € 3.154,-, met een afbouwpunt bij € 30.910,-. Die stijging blijft achter bij de inflatie.
De arbeidskorting krijgt een fikse impuls: als onderdeel van het koopkrachtpakket gaat deze op alle knikpunten met € 173,- omhoog, tot een maximum van € 5.929,-. Het afbouwpunt ligt op € 47.834,-, met een afbouwpercentage van 6,51%. Voor werkenden betekent dit concreet tot € 244,- meer netto.
Twee andere kortingen bewegen juist omlaag. De inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) wordt vanaf 2027 in negen stappen afgebouwd, te beginnen met een verlaging van € 153,-; per 2035 is de korting helemaal verdwenen. De ouderenkorting daalt in 2027 eenmalig met € 100,- naar € 1.993,-, met een afbouwpunt van € 46.577,- en een afbouwpercentage van 15%.
Omdat de tarieven in box 1 tegelijk stijgen, is het uiteindelijke koopkrachteffect voor iedereen anders. Inkomen, leeftijd en inkomstenbron bepalen samen hoe dit precies uitpakt.
Vermogen in box 3: hoger tarief, ruimere vrijstelling
Voor vermogen in box 3 stijgt het tarief naar 36% per 1 januari 2027. Daar staat tegenover dat het heffingsvrij vermogen omhooggaat, naar € 60.098,- per fiscaal partner.
Het definitieve nieuwe stelsel, de Wet werkelijk rendement box 3, laat nog op zich wachten: de besluitvorming is uitgesteld tot het eerstvolgende begrotingsmoment, vermoedelijk de Voorjaarsnota van 2027. Tot die tijd blijven de Overbruggingswetgeving box 3 en de Tegenbewijsregeling box 3 van kracht.
Aftrek zorgkosten verdwijnt per 2028
De aftrek voor specifieke zorgkosten en de bijbehorende TSZ-regeling houden op te bestaan per 1 januari 2028. Volgens het kabinet is de regeling te weinig gericht op chronisch zieken en mensen met een beperking, en te ingewikkeld in de uitvoering. Omdat het verzamelinkomen door het vervallen van de aftrek kan stijgen, kan dit ook gevolgen hebben voor andere inkomensafhankelijke regelingen. Voor toekomstige ondersteuning is vanaf 2027 € 350 miljoen gereserveerd, al is nog niet vastgesteld hoe dit precies wordt ingezet.
Kleinere vereenvoudigingen
Het kabinet wil het belastingstelsel op meer plekken eenvoudiger maken. Zo verdwijnt het lage btw-tarief van 9% voor sierbloemen, sierplanten en ballonvaarten, en vervalt het verlaagde accijnstarief op bier voor kleine brouwerijen, die daardoor meer accijns gaan afdragen.


